Er bestaat, naar mijn gevoel, een soort nacht die in het bijzonder aan de woestijn toebehoort. Het is niet de zachte nacht van bossen, waar bladeren en water samen lijken te fluisteren…
Terwijl ik de eerste altaren, graven en heilige landschappen van het vroegere menselijke leven achter me laat, merk ik dat ik verder loop, naar de stenen geometrie van de vroegste…
Wanneer ik de geschiedenis van goddelijke macht probeer terug te volgen naar haar begin, begin ik niet bij koningen, geschriften of tempels. Ik begin bij mensen…
Woorden kunnen, zo komt het mij voor, de werelden overleven die hun ooit kracht gaven. Ze gaan van tijdperk tot tijdperk voort als versleten munten, hun beelden half uitgewist maar toch nog…
Ik denk niet dat dit boek als een betoog is begonnen. Het begon eerder als een wond zo alledaags dat ik haar aanvankelijk niet kon benoemen…