Tegen het einde van Thrones of the Invisible (Tronen van het Onzichtbare) probeer ik de wereld te beschrijven die ik werkelijk wil, en ik merk dat die niet uit idealen alleen kan worden opgebouwd. Ik schrijf daar dat innerlijke vooruitgang — groei in wijsheid, geduld, moed, het vermogen om lief te hebben — zich alleen kan ontvouwen op een bepaald soort bodem. Die bodem noem ik uiterlijk evenwicht, en ik benoem de bestanddelen ervan onomwonden: voldoende voedsel, onderdak, zorg, rust, onderwijs, waardigheid en deelname. Zonder die dingen, betoog ik, wordt praten over bloei “een wrede grap, verteld aan wie al overbelast is.” Het is de reden waarom het boek keer op keer terugkeert naar één onvoltooid idee uit 1944: Franklin Roosevelts Tweede Bill of Rights, en zijn stille aandringen dat vrijheid ook het recht op een fatsoenlijke woning moet omvatten. Iemand die dagelijks in angst voor uitzetting leeft, schreef ik, is niet werkelijk vrij louter omdat een juridisch document het woord vrijheid gebruikt.
In dit land hoeft dat recht niet eens meer bedacht te worden. Het staat er al. Artikel 23 van onze Grondwet waarborgt het recht op een menswaardig leven en noemt daarbij uitdrukkelijk het recht op een behoorlijke huisvesting, met een standstill-verplichting erbovenop: verworven bescherming mag niet zomaar worden afgebouwd. Het Grondwettelijk Hof heeft die bepaling de laatste jaren ook echt gebruikt — tussen 2019 en 2023 werden dertien wetten en decreten vernietigd wegens schending van artikel 23. En toch: lees twee weken Belgische woonberichtgeving na elkaar, en dat recht komt in de koppen nauwelijks voor. Wat er wél in voorkomt, is de knop.